De Tefragroeve bij Gillenfeld
Een bijdrage van Prof. Dr. H.-U. Schmincke

 

Het ontstaan van de raadselachtige Eifelmaaren - dat zijn in de ondergrond verzonken, gedeeltelijk met water gevulde kraters, omgeven door ronde wallen van tefra (vulkanisch los materiaal) - was lang omstreden. Vanaf 1970 toonden Volker Lorenz, Hans-Ulrich Schmincke en hun medewerkers aan dat de heersende wetenschappelijke mening (ontstaan door CO2-explosies) niet met de gevonden sporen op het terrein verenigbaar was.

Uit gedetailleerd onderzoek is gebleken dat maaren door het zeer explosieve contact van opstijgend heet magma met grondwater ontstaan. Deze te zijner tijd revolutionaire nieuwe interpretatie was slechts mogelijk geworden, omdat talrijke tefragroeven in de Eifel (en elders) een exacte reconstructie van de mechanismen van erupties mogelijk maakten.

Tot de weinige nog open groeven in de Eifel behoort de groeve aan de zuidwestelijke kraterrand van de Pulvermaar bij Gillenfeld. De jonge Pulvermaar is niet alleen door zijn cirkelronde vorm en de grote waterdiepte een juweel onder de maaren van de Westeifel. Jonger is blijkbaar alleen de Ulmener Maar, die 11.000 jaar geleden na het einde van de IJstijd ontstond. Zijn uitgeworpen sedimenten bedekken 12.900 jaar oude Laacher See tefra.


 

 

 

 

 

 

 

 

 



Over de afbeelding: Prof. Schmincke enthousiast in actie

Er zijn veel redenen om de groeve aan de Pulvermaar te behouden. Want de structuren en gesteenten van de grijze, voor de leek aanvankelijk weinig attractieve tefralagen in de ongeveer 10 m hoge en ca. 50 m lange wand geven bij nader inzien de mogelijkheid het ontstaan van de maar op een unieke wijze te begrijpen. In de onderste ca. 8 m wisselen grofkorrelige lagen zich met fijnkorrelige af, enkele daarvan met duinenstructuren en meer dan 1 m grote blokken met deuken als gevolg van steenslag. De dikte van de lagen en de diameter van de ingeslagen blokken neemt naar het westen af. Dit is een duidelijk teken voor het feit dat het teframateriaal uit de maar getransporteerd werd, zowel ballistisch (blokken) als ook door turbulente bodemstromingen (schuine lagen). De bovenste ca. 2 m zijn fijnkorreliger en gelijkmatiger in lagen verdeeld, vooral een lichte laag. Veel van deze lagen zijn zog. fallout-sedimenten (uit de lucht uitgeregende partikeltjes lapilli en as). In het oostelijk deel van de wand spiegelen aardverschuivingen verticale bewegingen (omlaag zakken van de krater?) in het late stadium van het ontstaan van de maaren.

Zoals in alle maaren bestaat de kraterwal voor 80-90 % uit partikeltjes ouder gesteente, Devonisch leisteen en zandstenen. Dit hoge aandeel aan ouder gesteente is een centrale verwijzing naar het mechanisme van het ontstaan van maaren. Het contact van magma en grondwater heeft een explosieachtig uit elkaar barsten van het gesteente in de transportsleuf tot gevolg. Karakteristiek voor de Pulvermaar en ernaast liggende maaren zijn glinsterende op knollen lijkende kristal-accumulaten (glimmer, pyroxeen, amphibol enz.), die door langzaam uitkristalliseren van het magma in de magmakamers in de aardkorst zijn ontstaan en bij het opstijgen van het magma meegesleurd worden. Deze nog nagenoeg niet onderzochte gesteenten zijn een belangrijke reden voor het behoud van de tefragroeve. Mantelgesteente („Olivinbomben“) ontbreekt daarentegen volledig. Een andere belangrijke reden: nieuwe onderzoekingen (Schmincke 2006) tonen aan dat niet alleen grondwater maar ook magmatische gassen een bijdrage geleverd hebben aan de uitbarsting, want de paar lavabrokken en de lavahuid rondom de kristalknollen zijn niet doorzichtig.

In ieder geval zal deze tefragroeve ook in de toekomst een Mekka voor onderzoekers uit de hele wereld op het gebied van gesteente blijven – en voor vele leken een aanschouwelijk voorbeeld om het ontstaan van de beroemde Pulvermaar door vele honderden explosies (iedere laag is een explosie) beter te kunnen begrijpen.