Wat is het verschil?

Het gehalte aan kiezelzuur en waterdamp heeft een beslissende invloed op de taaiheid van het magma en het soort eruptie aan het aardoppervlak.


Bij een hoog gehalte aan kiezelzuur en waterdamp ontstaat een stroperig magma. Bij het opstijgen hiervan kan zich een zeer hoge druk opbouwen, die zich dan in geweldige explosies ontlaadt. Er worden lava en slakken uitgestoten en bij het verminderen van de druk stroomt ook lava over de kraterrand. Door de verschillende lagen van deze vulkanische producten ontstaan de in de Eifel vaak voorkomende slakkenkegels en stratovulkanen. De zo ontstane vulkaanberg steekt boven het oude landoppervlak uit. In de voormalige transportsleuf aan de top van een vulkaanberg kan zich een uitsluitend van neerslag gevoed meer vormen – men heeft het dan over een kratermeer. Het handelsmerk van de Eifel zijn echter de maaren, maarvulkanen of trechters, zoals ze ook genoemd worden. Komt heet magma bij het opstijgen in aanraking met lagen met water, verdampt het water zeer snel en de heftigste explosies van waterdamp zijn het gevolg hiervan. De geologen noemen deze door het contact van water en magma ontstane gebeurtenissen freatomagmatische explosies. Hierdoor springt het gesteente ernaast in het bereik van de contactplek uit elkaar, wordt naar boven getransporteerd en uitgeworpen. De opgeblazen explosiekamer valt in elkaar en er blijft een trechter aan het aardoppervlak over, omgeven door een ringvormige wal van het uitgeworpen materiaal. Het is typerend dat deze sedimenten in de maaren naast de vulkanische assen een hoog aandeel aan door de waterdampexplosies in kleinste stukjes opgeblazen gesteente uit de omgeving bevatten. De in elkaar gezakte trechter kan zich met water vullen en zo ontstaat een maarmeer.